Hier bent uHet ontvangen van de Geest! Gedoopt worden met de Geest!
Het ontvangen van de Geest! Gedoopt worden met de Geest!
Alle gelovigen hebben de Geest!
Wie het N.T. onbevangen leest, ontdekt dat iedere gelovige de Heilige Geest ontvangen heeft. Zonder het werk van de Geest kun je n.l. niet geloven. Er zijn geen aanwijzingen, dat de Geest eerst een voorlopig werk doet ( tot bekering brengen) en dat er daarna een soort doop met de Geest nodig is om zodoende helemaal met de Geest vervuld te worden. Als je dat leert, zijn er 2 soorten gelovigen in de gemeente. Gelovigen,die op een laag niveau zitten, dus slechts een ‘aanvangswerk’ van de Geest bezitten en gelovigen, die een hoog niveau hebben met als kenmerken o.a. tongentaal en een bijzonder grote blijdschap en gedrevenheid. Zo zou de gemeente dus gedeeld zijn. Dat gevaar dreigde heel sterk in Korinthe. Sommigen dweepten met geestesgaven: zij hadden echt de Geest, zij hadden geweldige gaven en vonden, dat ieder in tongen moest kunnen spreken. Anders had je niet de volheid van de Geest.
Allen door één Geest tot één lichaam gedoopt!
Paulus corrigeert dat: Hij zegt in 1 Kor.12 ‘Spreken soms allen in tongen?’
Paulus zegt, dat de hele gemeente, alle gelovigen de Geest ontvangen hebben. We lezen in 1 Kor.12:13 Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt…en allen zijn wij met één Geest gedrenkt.
Dopen met de Geest…duidt in de bijbel telkens op het Pinkstergebeuren. Hand.1:5 ‘Gij zult met de heilige Geest gedoopt worden niet vele dagen na dezen’. Wie doopt met de Geest? Dat is Christus zelf! Hij stort op de Pinksterdag de Geest uit. Die Pinksterzegen geldt voor alle gelovigen ( zie 1 Kor.12:13). Om het beeld van het lichaam te gebruiken: het teentje is net zo goed gedoopt met de Geest dan het oog!De Bijbel gebruikt de term 'Gedoopt worden met de Geest' niet vaak. Johannes de Doper voorspelt, dat Jezus zal komen om te dopen met Geest en met vuur (Matt. 3:11; Marcus 1:8; Lucas 3:16; Johannes 1:33). In Handelingen 1:5, haalt Jezus zijn woorden aan en zegt tegen zijn volgelingen, dat ze gedoopt zullen worden met de Heilige Geest, niet vele dagen na deze. De spectaculaire gebeurtenissen op de Pinksterdag, tien dagen later, zijn duidelijk de vervulling van zijn woorden (zie Hand. 2). De enige andere verwijzing in Handelingen (11:16) wijst terug naar Pinksteren, en daar staat dat Cornelius, de eerste bekeerling uit de heidenen is, die een zelfde ervaring krijgt als de discipelen op Pinksterdag. Gedoopt worden met de Geest ( let op: nooit wordt een zelfstandig naamwoord ‘doop met de Geest’ gebruikt) slaat in het N.T. altijd op het Pinkstergebeuren.
Het ontvangen van de Geest in het boek Handelingen
Opvallend is, dat in Handelingen het ontvangen van de Geest vaak gepaard gaat met bijzondere verschijnselen. In Hand.2 spreekt men in tongen. In Hand.8 leggen Johannes en Petrus de handen op en zo ontvangen de Samaritaanse gelovigen op vrij opvallende wijze de Geest. Simon de tovenaar ziet het…hij ziet de verschijnselen en wil ook de macht hebben om met handoplegging de Geest te kunnen geven. In Hand. 10 ontvangen Cornelius en de zijnen de Geest op een indrukwekkende wijze. De Geest valt op hen en zij spreken in tongen. In Hand. 19 wordt gesproken over discipelen van Johannes de Doper. Ook zij ontvangen de Geest en spreken in tongen en profeteren. Het vuur van Pinksteren ( Hand. 2) slaat over van de ene groep op de andere. Het slaat over naar de Samaritanen ( Hand.8), naar de heidenen ( Cornelius-Hand.10) en naar de volgelingen van Johannes de Doper als een zichtbaar bewijs, dat ook deze groepen van nu af aan bij die ene kerk uit joden en heidenen mogen horen. In de heilshistorische voortgang van het werk van Christus, steekt het evangelie steeds nieuwe grenzen over. Elke grensovergang wordt gemarkeerd door een opvallend werk van de Geest. Dat wil niet zeggen, dat Handelingen in deze gedeelten een model biedt voor hoe het er bij elke gelovige aan toe zou moeten gaan. Alsof ieder zoiets mee zou moeten maken. Het zijn unieke voorvallen. Wat hier heilshistorisch in de voortgang van het evangelie plaatsvindt, moeten we niet heilsordelijk gaan doorvertalen naar onze situatie toe. Dan zouden wij ook zo bijzonder door de Geest moeten worden aangeraakt.
De Geest in de brieven van het N.T.
Wie de brieven van het N.T. leest, krijgt bepaald niet de indruk, dat ieder in tongen kan spreken of dat er in elke gemeente een streven is om het bijzondere werk van de Geest naar elke gelovige door te vertalen. De één kan in tongen spreken, de ander niet. De één heeft een bijzondere bekering…bij de ander is er het een kennen van de Here van jongsaf aan zonder duidelijke markeringspunten. De Geest is daar dan ook volstrekt vrij in. Bindt Hem niet aan maten en modellen.
Is er een bijzonder werk van de Geest na de bekering?
Soms lijkt dat het geval te zijn. Twee opvallende voorbeelden vinden we in Hand. 8 en Hand. 19.
Gelovige Samaritanen ontvangen na hun bekering de Heilige Geest door handoplegging van de apostelen. En gelovige volgelingen van Johannes de Doper ontvangen alsnog de Heilige Geest.
De bekering van de Samaritanen in Hand.8
Is het hier een bekering in 2 etappes: eerst het aanvaarden van het Woord ( vers 14) en dan het ontvangen van de Geest (vers16)? Moeten de apostelen eraan te pas komen, omdat de Samaritanen niet goed geloven? Is Filippus maar een evangelist en moet zijn werk aangevuld worden door het ambt? Dat laatste zal toch niet waar zijn, want dan had de kamerling ( door Filippus tot geloof gekomen) ook handoplegging van de apostelen moeten ontvangen.
Geen echt geloof bij de Samaritanen?
Wijlen prof. Dr. J.P. Versteeg verdedigt de mening, dat de Samaritanen nog niet het ware geloof hebben. Zij moeten om echt tot geloof te komen de Geest nog ontvangen. Hij ziet de bekering van de Samaritanen als een oppervlakkige en massale bekering meer veroorzaakt door wonderen en tekenen. Hun geloof is slechts een soort wondergeloof. Hij wijst dan op vers 6, waar de scharen Filippus horen en de tekenen zien, die hij doet. Zij houden zich vervolgens eenparig aan hetgeen door Hem gezegd wordt. Het is dus een bekering van de scharen: iedereen loopt mee in dit wondergeloof. Zoals zij zich eerst aan Simon de tovenaar houden ( vers 11) houden ze zich nu aan Filippus ( vers 6) . Hetzelfde Griekse woord wordt gebruikt. Eigenlijk neemt Filippus de plaats in van Simon de tovenaar. Hij is nu de nieuwe wonderdoener. Er is geen sprake van echt doorleefd geloof. Vandaar, dat de Geest nog ontvangen moet worden. De mening van Versteeg is interessant. Wellicht zit er een kern van waarheid in. Vermoedelijk zit het geloof nog ziet zo diep bij deze heidense Samaritanen. Misschien is het oppervlakkig en is er nog veel groei nodig ( dat is immers altijd het geval na een eerste kennismaking met het geloof). Maar om nu te zeggen, dat de Samaritanen geen waar geloof hebben na het mooie werk van Filippus, dat gaat wel ver. Dan zou het werk van God door Filippus gediskwalificeerd worden. Er worden echter vele verlamden en kreupelen genezen…en er komt grote blijdschap…een uitdrukking, die Lukas elders gebruikt voor de discipelen ( Luk.24:52). Zij schenken geloof aan Filippus (vers 12). Zij hebben het woord aanvaard ( vers 14) . Zij worden gedoopt in de naam van de Here Jezus( vers 16) . Overal duiden deze ‘termen’ op een band aan Christus. Dus mogen wij er van uit gaan, dat de Samaritanen geloven, zij het wellicht oppervlakkig. De diepgang moet nog komen. Als vers 12 zegt, dat zij geloof schenken aan Filippus, is het wel duidelijk, dat hun geloof wellicht teveel afhankelijk is van deze evangelist. Er moet nog wel heel wat groei en ‘snoeiwerk’ aan te pas komen.
Waarom een ontvangen van de Geest door handoplegging?
Laten wij er dus van uitgaan, dat er sprake is van echt geloof ( hoewel er kaf onder het koren zit- Simon blijkt kaf te zijn), waarom moeten dan de apostelen nog komen met de gave van de Geest? Wellicht kan de S.V. helpen, die in vers 16 weergeeft:’Want de Geest was nog op niemand gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in de naam van de Here Jezus’.
Let op de term vallen. Dit woord wordt ook in Hand . 10 gebruikt. Als Petrus aan Cornelius vertelt, dat er in Jezus vergeving van zonden is, valt de Geest op de aanwezigen. Zij spreken in tongen en er gebeuren bijzondere dingen. Volgens mij wil Hand. 8 zeggen: De Samaritanen geloven al wel, maar de Geest is niet op die bijzondere wijze over hen gekomen. Nu komt Pinksteren over hen op een soortgelijke wijze als in Hand. 2. Wat is dan de zin van deze extra ervaring? Vergeet niet, dat de kerk in Jeruzalem ( de kerk uit de joden) moeilijk kan geloven, dat ook heidenen op dezelfde wijze er bij horen. Wat heeft Petrus een moeite met Cornelius!! Wat hebben de christenen in Jeruzalem later een moeite met de gelovigen uit Antiochië. Zij kunnen zich geen kerk uit de heidenen voorstellen, die zo anders is. Wat hadden Johannes en Jacobus eerder een moeite met de Samaritanen. Zij wilden zelfs vuur van de hemel laten neerdalen, toen zij Jezus niet wilden ontvangen. Nu mag diezelfde Johannes getuige zijn van ander vuur, wat neerdaalt: het vuur van de Geest. Dit bijzondere gebeuren ( deze bijzondere uitstorting van de Geest) is voor de 2 apostelen net zo belangrijk als voor de Samaritanen zelf. Samaritanen horen er niet bij!!! ‘Samaritaan’ is een scheldwoord. Joden gaan niet met Samaritanen om (Joh.4:9). Er is geen groter schisma denkbaar. Nu weten zij: Wij horen erbij…wij mogen in dezelfde Pinksterzegen delen als de joden in Jeruzalem ( Hand.2). En de apostelen kunnen ontroerd in Jeruzalem vertellen: God doet onder Samaritanen datzelfde geweldige werk. Zij horen er bij! Als Petrus later de doop van Cornelius moet verdedigen bij het thuisfront, horen we hem zeggen in Hand. 11:17 ‘Indien God hen nu op volkomen gelijke wijze als ons de gave (van de Geest) gegeven heeft op het geloof in de Here Jezus Christus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden’. Er zit in het boek Handelingen een geweldige spanning tussen christenen uit de joden en christenen uit de heidenen. Joden kijken argwanend naar heidenen. Maar het bijzondere ontvangen van de Geest moet elke argwaan wegnemen. Zowel Samaritanen als heidenen behoren vanaf nu bij dat ene lichaam van Christus.
Het mag duidelijk zijn, dat het ontvangen van de Geest na het tot geloof gekomen zijn in Hand. 8 een volstrekt unieke gebeurtenis is. Onherhaalbaar! God zal het bij ons niet zo doen.
De afwijkende manier waarop de Samaritanen de Geest ontvingen, is dus zo uniek, dat het geen model kan zijn voor onze geloofservaring. Niemand spreke op grond van deze tekst over ‘een tweede zegen’ na de bekering!
De bekering van de discipelen van Johannes de Doper
In Efeze wonen volgelingen van Johannes de Doper. Zij hebben heel sterk de invloed van Johannes de Doper ondergaan. Waarschijnlijk is Apollos hun leermeester geweest. Deze wist immers ook alleen van de doop van Johannes. Kennelijk hebben een aantal mensen onder wie Apollos de fout gemaakt om voor Johannes discipelen te werven. Het wordt al gauw duidelijk, dat deze mensen de Here Jezus niet persoonlijk kennen. Ze worden ook geen gelovigen genoemd, maar leerlingen van Johannes. Zij weten alleen, dat Jezus zal komen, maar weten weinig over zijn leven, lijden en sterven. Zij zijn aan Johannes blijven hangen en nog niet aan Jezus gekoppeld. Uit de vraag van Paulus ‘Hebt gij de Heilige Geest ontvangen toen gij tot geloof kwaamt’ blijkt dat hij twijfelt aan de echtheid van hun geloof. Anders zou hij de vraag nooit zo gesteld hebben. Zij antwoorden ook niet met ‘ja’ of ‘nee’’, maar ze blijken nog nooit van de Geest gehoord te hebben. Zij weten niets van Pinksteren, zij weten ook niets van het volbrachte werk van Jezus aan het kruis. Zij zijn blijven staan op de drempel van OT en NT met een geringe basis-kennis over Jezus, die zou komen om te verlossen. Maar van de inhoud van die verlossing weten ze vrijwel niets. Zij zijn dan ook niet gedoopt met de doop in de naam van Vader, Zoon en Geest. Zij zijn dus niet gedoopt op grond van het volbrachte werk van Jezus. Ze zijn slechts gedoopt met de doop van Johannes. Een doop, die vooruit wijst naar het reinigende bloed van Jezus. Zij staan al met al in de deuropening, maar zijn de volle ruimte van Jezus’ leven, lijden en sterven nog niet binnen gegaan, zodat zij kunnen profiteren van Jezus’ gaven van vergeving, verzoening en nieuw leven. Vandaar, dat hun geloof wel een hunkering is naar nieuw leven, een hunkering naar het heil, maar geen wezenlijke band aan Jezus. Zij moeten eerst gedoopt worden in de naam van Jezus Christus. Daarmee werden zij ontkoppeld aan Johannes en gekoppeld aan Jezus. En waar Jezus hun leven binnentreedt, ontvangen zij ook de Geest. Zij spreken vervolgens in tongen en profeteren. Voor hen een zichtbaar bewijs, dat zij ook mogen delen in de Pinksterzegen van Hand.2. Zij, die jaren achtergesteld zijn, delen nu volop in het heil en ontvangen de feestelijke tekenen van Pinksteren. Uiteraard is Hand. 19 een uniek gebeuren, en geen model voor onze geloofservaring. Het is ook hier geen tweede zegen na de bekering.
Bijzondere gebeurtenissen normatief?
In charismatische kringen wil men soms teveel de bijzondere gebeurtenissen normatief stellen en verwijt men kerken lauwheid. Dat verwijt moeten wij ons aantrekken als er reden is om die lauwheid daadwerkelijk te constateren als een tekort-doen van de Here. Anderzijds moeten we ook beseffen, dat de Geest meestal op een onopvallende wijze werkt. Hij gaat met ieder een eigen route en volgt met een ieder een eigen tempo. En zijn hoofdgave is de dienende liefde. De gaven van de Geest zijn divers, maar dienen allemaal één doel: de opbouw van het lichaam van Christus…het in liefde aan elkaar verbonden zijn. 1 Kor.12:31 Streeft dan naar de hoogste gaven en ik wijs u een weg, die nog veel verder omhoog voert. De weg naar het echte hooggebergte is dé gave van de Geest: dienende liefde, die zichzelf niet zoekt.
A.Wagenaar
